Lasagne

Je donkere gordijnen houden het weinige zonlicht tegen. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en gluur door mijn oogharen naar de foto’s aan je muur. Om ze goed te kunnen zien, moet ik opstaan. Naast het bestek liggen je sigaretten klaar voor na de maaltijd. Ik reik naar het pakje. De foto van donkerrode kwabben met zwemen zwart fascineert me een moment. Ik peuter er een sigaret uit en buk voorover om hem aan te steken met de vlam van een waxinelichtje. Door mijn neusgaten laat ik de rook ontsnappen. Ik leg mijn benen op jouw stoel en zak een beetje onderuit.

    Je slaapkamerdeur gaat zacht open en weer dicht, je schaduw verschijnt in de kier onderaan de dichte woonkamerdeur. Ik druk de sigaret in de asbak aan de andere kant van de tafel en leg het pakje erop. Met mijn tong strijk ik langs mijn tanden. Je hebt je bril op gezet en een knalrode trui over je blouse aangetrokken waar je witte gezicht bij afsteekt. Met een frons boven je donkere ogen kijk je me indringend aan. Ik pak de fles rood, draai de dop eraf en schenk onze glazen halfvol.

    ‘Wie was dat?’

    ‘Gwen.’

    ‘Weer Gwen?’ Je verdwijnt de kamer weer uit. De woonkamerdeur trek je met een klap dicht. Ik luister hoe je met geweld de oven opentrekt en iets uit de koelkast haalt. Er valt bestek op de grond. Ik neem mijn linker pink in mijn mond en bijt een scheurtje in de nagel. Je zwaait de deur open en kwakt de dampende ovenschotel op een onderzetter, de grote saladekom zet je er met meer beleid naast.

    Het gerecht snijd je aan flarden en je schept ons allebei teveel op. Met een grove beweging steek je een volle vork in  je mond en vermaalt het gerecht met krachtige kauwbewegingen. Ik schraap een beetje gesmolten kaas van het bovenste lasagnevel op mijn bord. Na jouw rigoureuze kauwritueel een paar minuten te aanschouwen, reik naar de salade, maar je houdt de kom tegen.

    ‘Niet als je er alleen naar staart.’ Ik trek de kom geërgerd naar me toe en schep salade op. Met mijn blik op mijn bord gericht verzamel ik een grote hap aan mijn vork en breng het geheel naar binnen.

    ‘Ik wil gewoon genieten met jou.’ Je kijkt me van mijn ene in mijn andere oog, alsof je zoekt naar dat ene oog dat je bijval geeft.

    ‘Doen we dat dan nog?’ Je knijpt je ogen tot spleetjes, schuift je stoel naar achteren, maar blijft zitten. Mijn hart klopt in mijn keel. Je staat op, kijkt me aan, kijkt weg, zet een stap, stapt weer terug, grijpt het pakje sigaretten en trekt er met trillende hand één uit.

    ‘Heb je weer wat te klagen?

    ‘Zeg je dat ook tegen haar?’ Je stormt op me af en trekt me aan mijn trui omhoog. Onze gezichten zijn dicht bij elkaar. Je stoot met je adem, je donkere ogen boor je in de mijne.

    ‘Donder op dan als het allemaal te moeilijk is.’ Je draait van me weg. Ik sta op en wil de borden naar de keuken brengen, maar als je mijn naam sist, zet ik ze weer terug. Ik pak mijn jas en zeg voor de verandering niks.